Stel je eens voor.. er staat een troon. In jouw huis. Een prachtige, grote, met goud bekleedde troon.
Wie zou daar dan op zitten?
Misschien zitten je kinderen wel op die troon. Zijn zij degene die bepalen hoe het gaat. Hoe de week loopt. Misschien heb je veel zorgen om ze. En neemt dit de overhand.
Of het is je man. En is hij degene die bepaalt hoe het gaat. Misschien door wat en hoe hij iets doet of zegt.
Of ben je het misschien zelf. Zit jij op de troon. En beslis jij. Neem jij het heft in handen, om de controle niet te verliezen, of omdat het anders niet gebeurd zoals zou moeten.
En wie zou je op de troon willen hebben?
Mag het Jezus zijn?
Hoe zou het zijn in je gezin wanneer Hij op de troon zit? Wanneer Hij regeert? Hoe zou de atmosfeer zijn als Hij daadwerkelijk op de troon zit?
Ik zie het voor me.
De kinderen die bij Jezus op schoot kruipen. Op die grote prachtige troon. Ik zie ze spelen, aan Zijn voeten. Genietend van Zijn aanwezigheid.
Ik zie de man, die Hem als metgezel heeft. Als Vader, om te weten hoe hij zelf een vader kan zijn. Ik zie hem, gezalfd door Jezus. Als hoofd van het gezin.
Ik zie de vrouw. Gevuld door Zijn liefde, genietend van Zijn koesterende woorden. Die recht haar hart in gaan. Woorden van liefde. Woorden van genezing. Woorden van kracht. Woorden van vreugde. Om door te geven in haar gezin.
Ik zie een huis. Gevuld door Zijn majesteit en glorie. Een huis waar eenheid en liefde regeert.
Ik wil niet zelf op de troon.
Ik wil mijn man niet op de troon.
Ik wil mijn kinderen niet op de troon.
Alleen Jezus.